Met angst en beven, leven of overleven

De nieuwe Uitzicht valt in de bus en ik lees het interview met Ivan Wolffers. Wat word ik daar blij van! Hij raakt aan iets wat ik vaak heb vermoed, maar nooit hardop heb durven uitspreken: ook de zorgverleners vibreren mee op de angst voor de dood, die zich onherroepelijk aandient bij de diagnose ‘je hebt kanker’.

Daardoor wordt er een heel circus aan onderzoek en behandeling opgetuigd en de vraag is of dat nou écht nodig is. Iedereen neemt vanuit het gevoel van urgentie die angst nu eenmaal oproept, de ziekte uiterst serieus, bereidt zich voor op het ergste en trekt alles uit de kast om dat vervolgens te voorkomen. Het ene na het andere onderzoek en behandeling word je  in vliegende vaart aangeraden, opgedrongen, aangeboden. Je dondert van het ene in het andere spektakel. Voilà: een circus. Het kankercircus is echter geen vrolijke parade, zoals je van een circus zou mogen verwachten, maar gedraagt zich eerder als een verbeten kruistocht. We trekken ten strijde tegen de onzichtbare vijand die levens zou verwoesten. Daarbij wordt het land dat doortrokken wordt geplunderd en in desolate toestand weer achtergelaten. 

‘Want anders ga je dood’

De luchtigheid én de aandacht voor kwaliteit van leven die Wolffers  als tegengeluid inbrengt, zonder dat hij overigens de ernst bagatelliseert, vind ik een verademing. Want inderdaad, als álles doen om te voorkomen dat je dood gaat, betekent dat je geen leven meer hebt, wat zijn we dan aan het doen? Als je bang bent, dan denk je niet goed meer na. Dan gaat je frontale cortex ‘uit’. Je instincten, die gaan over overleven, over vriend of vijand, of vechten en vluchten, nemen het over. Dan neem je beslissingen voor de korte termijn. Juist van de artsen en zorgverleners mag je dan verwachten dat die zich richten op de lange termijn. Dat die je helpen weer de juiste vragen te stellen: hoe wil ik leven en wat betekent deze diagnose in dat verhaal? Pas daarna kun je een weloverwogen keuze maken over wat je wel en niet aan behandeling en onderzoek wilt ondergaan. Maar als die artsen zèlf ook bang zijn voor de dood, en dat niet onder ogen zien, dan sluipt hun eigen gevoel van stress en urgentie de spreekkamer en het beleid in. Je moet nú handelen! We moeten íedereen screenen! We moeten alle tumoren opsporen! Want anders…..!! Want anders ga je dood.

Ja, dat klopt. We gaan allemaal een keer dood. Dat is een waarheid als een koe. We weten niet wanneer en we weten niet hoe. Ook dat is een gegeven. Hoeveel screeningen je er ook op los laat, zekerheid creëren we nooit. Dus goed nadenken over wat voor leed je aanricht, door iedereen de onderzoekskamer in te jagen, lijkt me heel zinnig. Maar voor iemand als ik,  die ‘aan de dood ontsnapt is’, is dat een lastige boodschap, omdat je het leed, of de angst van degene met uitgezaaide ‘niet behandelbare’ kanker niet wil bagatelliseren. Ik heb makkelijk praten, denk ik dan. Dus daarom ben ik zo blij dat Ivan Wolffers het zegt: ‘je moet voorkomen dat je er al niet meer bent voor je je laatste adem hebt uitgeblazen’.  Laten diegenen die zich buigen over de ingewikkelde vraag wanneer en voor welke zaken je wel en niet vroegtijdig moet screenen, zich leiden door dat adagium. Hoe draagt het vroegtijdig screenen bij aan de kwaliteit van leven?

Sophie Hospers is filosoof, historica en coach en kreeg twee keer borstkanker. Lees hier haar eerdere columns.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief. Of ontvang ons magazine Uitzicht door lid te worden van MMV. Voor 35 euro per jaar ontvang je 10 x Uitzicht en hoge kortingen op relevante diensten en producten. 

+1
<< Terug