Wat aten de jager-verzamelaars van Noord- en Oost-Europa voor de landbouwrevolutie hen bereikte? En hoe bereidden ze dat? Nieuw onderzoek naar verkoolde etensresten bevestigt dat onze paleo-voorouders geen vleeseters pur sang waren en dat ze de eerste stappen zetten naar een verfijnde keuken. ‘Onze resultaten tonen het belang van plantaardig voedsel in de Mesolithische en Neolithische keuken.’
Vanuit Oekraïne en Rusland maken de bewoners van Oost- en Noord-Europa kennis met vaatwerk van gebakken klei. Dat was tussen vijf- en achtduizend jaar geleden, nog voor de Egyptenaren op het idee kwamen piramides te bouwen. Waar werden die potten voor gebruikt?
Tot het midden van de jaren zeventig richtte het archeologisch onderzoek naar de aardewerken potten en kruiken zich vooral op andere functies dan voor de bereiding van een lekker stoofpotje. Toen het mogelijk werd residuen van vetten te analyseren, kwamen de voedselkorsten op veel potscherven in het vizier. ‘Deze techniek bevoordeelt de identificatie van dierlijke producten’, schrijven onderzoekers van de universiteit van York (VK) in Plos One. En: ‘deze aanpak onthulde voornamelijk de aanwezigheid van dierlijke producten’.
Met elektronenmicroscopen zie je andere dingen en met de combinatie van de verschillende onderzoeksmethoden zie je het meest. Die gecombineerde aanpak pasten de onderzoekers toe op 85 potscherven met verkoolde etensresten, afkomstig van dertien archeologische vindplaatsen, van Rusland tot het zuiden van Denemarken. In het merendeel daarvan identificeerden ze resten van wilde grassen, knollen, peulvruchten, wortels en wortelstokken (rhizomen).
Visstoof
‘Aanvullend op het wijdverspreide microscopische bewijs voor planten, hadden bijna al de voedselkorsten vetrestanten die typisch zijn voor dierlijke vetten. Metingen van koolstofisotopen en de aanwezigheid van bepaalde vetbiomarkers toonden dat deze hoofdzakelijk afkomstig waren van zoetwatervis of schelvis.’ Vis was dus niet het enige ingrediënt. ‘Maar eerder het hoofdingrediënt voor meer verfijnde culinaire praktijken.’
Op basis van dit nieuwe bewijs strepen de onderzoekers de mogelijkheid weg dat de Europese pottenbakkerij in de Steentijd hoofdzakelijk niet-culinaire doelen diende. Bijvoorbeeld voor de verwerking van visolie voor brandstoffen, afdichtingen of smeermiddelen.
‘Jager-verzamelaargemeenschappen benaderden plantaardig voedsel selectief. Ze verkozen bepaalde soorten bewust boven andere soorten en combineerden deze met specifieke dierlijke ingrediënten. Dergelijke praktijken zullen nieuwe smaken, texturen en aroma’s gecreëerd hebben. Deze zouden zonder de vaardigheid van het pottenbakken moeilijk te bereiken zijn. Waarschijnlijk heeft dat bijgedragen aan de motivatie deze techniek uit te vinden dan wel over te nemen.’
Gelderse roos en ganzenvoet
Veel van de planten die onze voorouders in de kookpot stopten, worden tegenwoordig met landbouwgif bestreden. Zoals de grassen uit het geslacht Bromus. Sinds de introductie vanuit het Midden Oosten van de grassen met een hogere zaadopbrengst – granen als tarwe, gerst en rogge – zijn deze planten concurrenten. ‘Broomgras is een concurrerend grasonkruid die de tarweopbrengst met 30 procent kan reduceren’, stelt Bayer in een tekst waarin het vier verschillende bestrijdingsmiddelen als oplossing voorstelt.
Ganzenvoet is een ander onkruid dat veelvuldig uit de potscherven opduikt. Niet verwonderlijk gezien de amaranthenfamilie waaruit deze groep voortkomt. Inderdaad, van het amarant dat in de winkel gepromoot wordt als het glutenvrije pseudograan met een nootachtige smaak. Bij de onwelriekende bessen van de gelderse roos lijkt de vraag tegenwoordig vooral hoe giftig ze precies zijn. Maar in een aantal steentijdgemeenschappen was het een favoriet ingrediënt voor een stoofpotje zoetwatervis.

Rode ganzenvoet (Chenopodium rubrum) Van ganzenvoet of melde gebruikten de Europese jager-verzamelaars zowel de bladeren als de zaden. Van die zaden kan een plant er volgens Wikipedia bijna een miljoen bevatten; goed voor een kleine kilo.

Bessen van de Gelderse roos (Viburmum opulus) werd alleen in de voedselkorsten op potscherven in oostelijker vindplaatsen aangetroffen. Nog altijd kent men de plant in West Europa alleen als sierplant, met giftige besjes die naar urine en zweetsokken ruiken. In Polen Rusland en Oekraïne worden de bessen vandaag de dag nog gebruikt in allerlei soorten voedsel en dranken. Volgens de onderzoekers van wege hun voedingswaarde en medicinale eigenschappen.
Beeld boven: EasyPeasy AI
Foto rode ganzenvoet Wikipedia
Foto Gelderse roos Wikipedia
MMV maakt wekelijks een selectie uit het nieuws over voeding en leefstijl in relatie tot kanker en andere medische condities.
Inschrijven nieuwsbrief
