Blaaskanker

Kies een vorm:

Blaaskanker is de vijfde meest voorkomende vorm van kanker bij de man en tiende meest voorkomende kanker bij de vrouw. Het aantal nieuwe gevallen per jaar in Nederland is in tien jaar tijd gestegen van 4.465 tot meer dan 6.150 mensen. De ziekte komt ongeveer drie- tot viermaal zo vaak bij mannen als bij vrouwen voor. Het sterftecijfer (het jaarlijkse aantal sterfgevallen per 1000 mensen) ligt bij de man op 880 per jaar en bij de vrouw op 360.

Het meest voorkomende type is het overgangscelcarcinoom dat uitgaat van het oppervlakkige slijmvlies van de blaas. In veel mindere mate komt het plaveiselcelcarcinoom en het adenocarcinoom voor. Ook komen overgangscelcarcinomen uitgaande van het nierbekken, urineleiders (ureter) of plasbuis (urethra) veel minder vaak voor.

Van de 6.150 mensen hebben circa 3.025 mensen een spier-invasief groeiende blaastumor. Dat wil zeggen dat de kanker die ontstaan is in het slijmvlies, doorgegroeid is in de onderliggende spierlaag. Blaaskanker wordt vooral bij mensen ouder dan 55 jaar vastgesteld.

De blaas is een hol orgaan, een flexibele zak met een spierwand, die gelegen is in de onderbuik. De blaas vormt samen met nieren, urineleiders, blaas en plasbuis de urinewegen. Stoffen die we niet meer nodig hebben, waaronder ook allerlei afvalstoffen, worden via het bloed vervoerd naar de nieren; daar worden ze uit het bloed gefilterd en via de urineleiders (ureters) komen de opgeloste stoffen met de urine in de blaas terecht. De blaas is het reservoir voor de urine die door de beide nieren wordt uitgescheiden. Een krachtige sluitspier tussen de blaas en de plasbuis zorgt ervoor dat we de urine op kunnen houden en willekeurig kunnen lozen.

Vanaf de nieren zijn onze urinewegen aan de binnenzijde bekleed met slijmvlies dat urotheel wordt genoemd. De wand van de blaas is van binnen naar buiten opgebouwd uit: een urotheellaag, een bindweefsellaag, verschillende spierlagen en aan de buitenkant een laag die bestaat uit vetweefsel, bindweefsel, bloedvaten en enkele lymfevaten.

Blaaskanker

Niet alle tumoren van de blaas zijn kwaadaardig. In ongeveer tien procent van de gevallen blijkt de tumor in de blaas goedaardig. Deze tumoren worden goedaardige poliepen of benigne papillomen genoemd.

De overige 90 procent die kwaardaardig is, wordt onderverdeeld in drie soorten:

-     het urotheelcarcinoom (overgangsepitheelcelcarcinoom) (90 procent)

-     plaveiselcelcarcinoom ( acht procent)

-     adenocarcinoom (twee procent)

De urotheelcarcinomen ontstaan vanuit het slijmvliesweefsel van de blaaswand,  de zogenaamde urotheellaag die bestaat uit urotheelcellen of overgangsepitheelcellen. Ze worden daarom urotheelcarcinoom of overgangsepitheelcarcinoom genoemd. Hier gaat het alleen over deze meestvoorkomende vorm van blaaskanker.

 

In de reguliere geneeskunde wordt gebruik gemaakt van stadiëring om zo de ernst van de kanker en de prognose van de patiënt te bepalen. Gewoonlijk wordt het zogenaamde TNM‐stadiëringssysteem gebruikt. Met de combinatie van grootte van de tumor en de ingroei (invasie) van omliggend weefsel (T), de betrokkenheid van de lymfeklieren (N) en de metastasering of uitzaaiing naar andere organen in het lichaam (M), kan de kanker in een bepaald stadia worden geplaatst. Het stadium is een essentieel onderdeel om de juiste (reguliere) behandelingsbeslissing te nemen. Hoe minder gevorderd het stadium, hoe beter de prognose. De stadiëring wordt uitgevoerd na klinische en radiologische onderzoeken en naar aanleiding van het microscopisch weefsel-(histopathologische) onderzoek van het biopt.

De kwaadaardige tumoren die vrijwel altijd in de blaasholte groeien, worden onderverdeeld in tumoren die niet in de spierlaag zijn doorgedrongen (TaT1,) de oppervlakkige, dit is de grootste groep (70  procent) en tumoren die in de spierlaag zijn doorgegroeid (T2+).

Ongeveer vijf tot tien procent van de patiënten met tumoren die niet in de spierlaag zijn doorgedrongen (TaT1) heeft carcinoma in situ (CIS). Deze groep heeft onbehandeld een grotere kans op het ontstaan van een tumor die de spier ingroeit dan de zogenaamde Ta en T1. CIS kan gemakkelijk worden gemist tijdens onderzoek (cystoscopie) of geduid worden als een ontstekingsachtige afwijking. Ongeveer 30 procent van de patiënten die gediagnosticeerd zijn met deze vorm van blaaskanker die niet in de spier groeit (TaT1), ontwikkelt een tumor  die de spier ingroeit (T2+).

Wanneer de tumor doorgroeit in de diepere lagen van de blaaswand (T2+) bestaat er de kans dat kankercellen losraken en zich verspreiden in het lichaam via de lymfevaten en/of via het bloed. Op deze manier kunnen er uitzaaiingen ontstaan in respectievelijk de lymfeklieren en organen als de lever en de longen. Dit blijkt bij eenderde van de patiënten het geval te zijn.

 

De symptomen van blaaskanker

Meestal geven tumoren van de blaas geen pijnklachten. De eerste aanwijzingen zijn meestal bloedverlies en vaker plassen dan normaal. Maar dit kunnen ook symptomen zijn van onschuldige aandoeningen zoals ontstekingen van de urinewegen en de prostaat, of van een passerende niersteen. De hoeveelheid bloed in de urine heeft geen voorspellende waarde wat  blaaskanker betreft. De verder onverklaarbare aanwezigheid van bloed in de urine bij personen boven de 40 jaar is wel een indicatie om te denken aan de eventuele aanwezigheid van blaaskanker. De pijn die wél te maken heeft met blaaskanker is in de meeste gevallen het gevolg van een gevorderde of uitgezaaide vorm van blaaskanker.

Onderzoeken naar de aanwezigheid van blaaskanker

Hoewel bij de meeste patiënten bij een totaal fysisch diagnostisch (lichamelijk) onderzoek geen kenmerken waargenomen worden, kunnen er in sommige gevallen abnormale bevindingen gedaan worden, zoals een solide massa in het bekken, voelbare klieren in de lies of langs de lichaamsslagader en verhardingen in de lever.

Aanvullende onderzoek bestaan uit:

  • urinecytologie. Bij blaaskanker is het namelijk mogelijk dat er in de urine kankercellen voorkomen die microscopisch herkend kunnen worden. Cellen die zich snel vermenigvuldigen kunnen namelijk makkelijk losraken van de andere slijmvliescellen. De gevoeligheid van urinecytologie is echter niet hoog, maar een vals positieve uitslag is zeldzaam.
  • een kijkonderzoek (cystoscopie). Cytoscopie is een inwendig onderzoek van de plasbuis en de blaas en kan worden beschouwd als 'de gouden standaard' voor het vaststellen van de diagnose blaaskanker en het bepalen van het stadium waarin de kanker zich bevindt.
  • microscopisch weefselonderzoek. Onderzoek van het weefsel dat genomen is uit de zichtbare afwijkingen die waargenomen zijn tijdens de cytoscopie, moet vervolgens uitwijzen of er sprake is van een tumor, waar deze zich bevindt en of de tumor in de spier groeit. Wanneer er geen afwijkingen gezien worden, maar de cytologie de aanwezigheid van kankercelllen laat zien, wordt er een biopsie genomen van normaal uitziend blaasslijmvlies.

Wanneer de tumor in de spierlaag van de blaas groeit, is er aanvullend onderzoek nodig om de eventuele aanwezigheid van uitzaaiingen vast te stellen. Dit kan in de vorm van:

  • MRI-scan: deze maakt gebruik van een combinatie van een magneetveld, radiogolven en een computer.
  • CT-scan: hierbij wordt een mogelijke tumor in het nierbekken of de urineleiders zichtbaar gemaakt.
  • Longfoto: brengt de borstkas in beeld zodat deze kan worden onderzocht op de aanwezigheid van uitzaaiingen.
  • Botscan: hierbij wordt gekeken of er uitzaaiingen in de botten zitten.
  • PET/CT-scan
  • Echografie: maakt organen en/of weefsels zichtbaar met behulp van geluidsgolven.

 

Behandeling bij een niet-spierinvasieve blaastumor

De meeste toegepaste reguliere behandelingen die genezing moeten brengen zijn:

• Transurethrale resectie (TUR). Hierbij worden de tumoren operatief verwijderd via de plasbuis. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een dunne, metalen draad van enkele millimeters die in de blaas bij de tumor wordt gebracht. Door middel van een elektrische stroom die door de draad wordt geleid, wordt het tumorweefsel laagje voor laagje weggesneden (diathermische lis). Na deze ingreep is er een aanzienlijk risico (60 tot 70 procent) dat de tumor binnen een jaar terugkeert (recidief). Het risico dat blaaskanker snel weer de kop op steekt, is het grootst vergeleken met alle andere vormen van kanker. Om het risico op een recidief te verminderen, wordt soms een aanvullende (adjuvante) behandeling ingezet.  Meestal bestaat zo’n behandeling uit een of meer blaasspoelingen.

• blaasspoeling (blaasinstallatie) met een oplossing van levend verzwakte tuberculosebacterieën (Bacillus Calmette Guerin oftewel BCG). Deze werkzaamheid bij blaaskanker is bij toeval ontdekt. In eerste instantie werd dit vaccin gebruikt om mensen te beschermen tegen tuberculose. Waarschijnlijk zet het BCG-vaccin het lichaam aan tot de afweer tegen de kwaadaardige cellen. Een andere verklaring is dat het middel een tijdelijke ontsteking veroorzaakt in de blaas wat een positief effect zou hebben op het terugdringen van kankercellen. Om een recidief (het terugkeren van blaaskanker)  te voorkomen, kan ook immunocyanine worden ingezet.  De werking berust eveneens op het activeren van het immuunsysteem in het blaasslijmvlies. Deze behandelingen zijn een vorm van immunotherapie. Een blaasspoeling met mitomycine-C  (een cytostaticum) belemmert het vermenigvuldigen van de kwaadaardige cellen, maar ook van de gezonde cellen. Nocardia (Rubratin), dat afkomstig is uit de celwand van een schimmel, blijkt net als BCG het immuunsysteem in de blaaswand te stimuleren. Het is echter minder effectief.

• laserbehandeling. Deze vindt alleen plaats wanneer er telkens kleine nieuwe tumoren gevonden worden. Bij een laserbehandeling worden laserstralen op de tumor gericht die ervoor zorgen dat de tumorcellen als het ware verdampen. De laserbehandeling vindt plaats, net als bij een TUR, met behulp van een cystoscoop.

De meest toegepaste reguliere behandelingen bij een spierinvasieve tumor

Reguliere behandelingen kunnen genezend zijn wanneer er geen uitzaaiingen zijn. Een operatie heeft hierbij de voorkeur, maar dit is wel een grote belasting. Blaaskanker komt zoals al vermeld vaak voor bij de oudere patiënt. Een medische evaluatie is om die reden van belang om vast te stellen of de  patiënt de ingreep wel aan kan. In het geval dat er geen kankercellen in de klieren aanwezig zijn, wordt de blaas samen met de omliggende lymfeklieren verwijderd. Bij uitzondering hoeft niet de gehele blaas maar slechts een deel van de blaas te worden verwijderd. Wanneer de blaas is verwijderd, kan de urine niet meer worden opgeslagen. Een nieuwe (orthotope) blaas kan aangelegd worden en wanneer dit niet mogelijk is, wordt een urinestoma aangelegd.

Bestraling (uitwendig en inwendig) is een alternatief voor de operatie wanneer er geen uitzaaiingen zijn. Een bijwerking van bestraling is echter dat ook de gezonde cellen in het bestraalde gebied beschadigd worden waardoor er blaarvorming kan optreden op de plaats van de uitwendige bestraling. Pijn bij het plassen, vaker moeten plassen en/of bloed in de urine, buikkrampen met diarree, blaaskramp of spontaan urineverlies kunnen net als vermoeidheid ook bijwerkingen zijn van de bestraling.

Bij een inwendige bestraling (brachytherapie) wordt er radioactief materiaal in of bij de tumor geplaatst en vindt bestraling van binnenuit plaats. Dit gebeurt in de regel nadat er een uitwendige bestraling aan vooraf is gegaan.

Chemotherapie wordt bij blaaskanker vrijwel alleen toegepast als palliatieve (onderdrukkende, niet genezende) behandeling. De celdodende chemicaliën kunnen op verschillende manieren worden toegediend, bijvoorbeeld per infuus, als tablet of per injectie. Via het bloed komt het op vrijwel alle plaatsen in het lichaam. Een van de mogelijke bijwerkingen van cytostatica is onvruchtbaarheid.

Het is moeilijk te zeggen wanneer iemand echt genezen is. Ook na een in opzet genezende (curatieve) behandeling bestaat het risico dat de ziekte terugkomt. Vandaar dat er niet gesproken wordt van "genezingspercentages" maar van "overlevingspercentages". Bij niet-spierinvasieve blaastumoren keert na de behandeling bij 20 tot 70 procent van de patiënten een blaastumor terug. De vijfjaarsoverleving is ongeveer 70 tot 90 procent. Wanneer na een behandeling een tumor terugkomt die in de spier doorgroeit, zijn de vooruitzichten slechter.

Bij spierinvasieve blaastumoren lopen de overlevingspercentages uiteen. Zijn er uitzaaiingen dan kan de overlevingskans teruglopen tot slechts tien procent.

Risicofactoren

Het risico op blaaskanker neemt toe met de leeftijd. Bij het overgrote deel van de patiënten treden de symptomen pas op na 65-jarige leeftijd.

Over de oorzaken van blaaskanker is nog weinig bekend. Wel zijn er een paar factoren bekend waardoor sommige mensen een groter risico op blaaskanker hebben.

Als de belangrijkste risicofactor wordt roken gezien. Men neemt aan dat bij 30 à 40 procent van de mensen met blaaskanker roken de oorzaak is. Rokers hebben ongeveer drie keer zoveel risico op blaaskanker dan niet-rokers. De vaatvernauwende werking die roken heeft en het voorkomen van stoffen die in het bloed terechtkomen bij rokers kunnen een aanleiding hiervoor zijn. Een andere risicofactor is het in aanraking geweest  zijn met chemicaliën zoals aromatische aminen (met name 2-naphthylamine, 4-aminobiphenyl en benzidine) en nitrosamines door langdurige werkzaamheden in o.a. de verf-, leder‐, auto‐, metaal-, rubber-, chemische, textiel-, papier- en leerindustrie. Anilinekleurstoffen die in gekleurde stoffen aanwezig kunnen zijn en arsenicum dat in bepaalde gebieden in de wereld in bronwater voorkomt (met name Taiwan, noordoosten VS) zijn eveneens schadelijke stoffen die in de urine terechtkomen en in de blaas de gelegenheid krijgen om in te werken op de blaaswand. Waarschijnlijk speelt de irritatie als gevolg hiervan een rol bij het ontstaan van blaaskanker. Ook chemische toevoegingen als kunstmatige zoetstoffen zijn in relatie gebracht met het ontstaan van blaaskanker. Chronische ontsteking is ook bij de blaas een risicofactor. Recent zijn er aanwijzingen dat een tekort aan vitamine D en het eten van weinig fruit en groenten en veel vet de kans op het krijgen van blaaskanker doen toenemen.

Een patiënt met een eerder behandelde blaaskanker heeft een verhoogde kans dat het opnieuw ontstaat. Zo ook patiënten die eerder voor een andere vorm van kanker zijn behandeld. Bepaalde medicijnen die bij chemotherapie gebruikt worden zoals cyclophosphamide, kunnen namelijk de kans op blaaskanker later aanzienlijk vergroten. Ook bestraling (radiotherapie of ioniserende straling) van de buik of het bekken verhoogt het risico.

Blaaskanker als gevolg van een afwijking aan het erfelijk materiaal is zeer zeldzaam. Een familiair voorkomen vindt vaak de aanleiding in omgeving en leefstijlgewoonten.

Preventieve maatregelen

Omdat veel mensen die blaaskanker krijgen, niet blootgesteld zijn aan een of meerdere van de genoemde risicofactoren en mensen die er wel aan blootgesteld zijn geen blaaskanker krijgen, is het dus erg aannemelijk dat er meer voor nodig is om blaaskanker te krijgen. Ook hier geldt, zoals bij alle vormen van kanker, dat het afweersysteem en het herstelmechanisme een grote rol spelen bij het ontstaan van kanker.

In het geval van kanker zijn er mogelijkheden om de kans hierop te verkleinen. Een volwaardig dieet en een leefstijl zoals MMV die uitdraagt, hebben zeer zeker invloed om de kans op kanker in het algemeen zo klein mogelijk te houden. Een leefstijl zonder tabak en overmatig alcoholgebruik en met voldoende beweging is sterk aan te bevelen. Dit samen met een dieet dat vegetarisch is en rijk aan beschermende stoffen als salvestrolen, beta-caroteen, vitamine A, B, C, D en E, calcium, selenium, melkzuurbacteriën (het Moermandieet), vermindert de kans om kanker te krijgen. Koolhydraatrijke producten, suiker- en witmeel bevattende producten horen niet in een volwaardig dieet thuis. Ze bevatten namelijk vlot opneembare koolhydraten die de suikerspiegel in ons bloed snel doen stijgen waardoor insuline en insuline-achtige groeifactoren in de bloedbaan worden gebracht. Die stimuleren vervolgens de celvermenigvuldiging. Daarom wordt verondersteld dat de groei van bepaalde kankervormen ook bevorderd wordt door een te veel aan insuline in de bloedbaan.

In ons leidingwater kunnen hoge concentraties chemicaliën en afbraakproducten van chloor voorkomen. Uit enkele onderzoeken is gebleken dat het langdurige gebruik van dit leidingwater het risico op blaaskanker kan verhogen, maar de bewijzen zijn niet zo helder. Moerman beveelt geen water aan  maar sappen van verse vruchten en groenten. Is water wel toegestaan, drink dan zuiver water en groene thee. En wanneer u zich realiseert dat stoffen die de blaaswand irriteren, aanleiding kunnen geven tot het ontstaan van afwijkingen aan het blaasslijmvlies, dan is het niet moeilijk om in te zien dat veel drinken en vervolgens veel en vaak  urineren een gunstig effect heeft.

Complementaire geneeskunde

De genoemde risicofactoren zijn niet direct de oorzaak van blaaskanker, maar ze kunnen wel de kans vergroten op het krijgen van blaaskanker, ze kunnen een aanleiding zijn. De eigenlijke, feitelijke oorzaak is dat het lichaam de schade die het heeft opgelopen en mogelijk nog steeds ondervindt, onvoldoende kan herstellen. De reden hiervan kan zijn dat het lichaam niet of onvoldoende over de middelen beschikt om dit te kunnen uitvoeren.

Om te zorgen dat het lichaam over alle middelen beschikt om weerstand te bieden en eventuele schade te herstellen is het Moermandieet de ideale aanpak. Het zoveel mogelijk of helemaal vermijden van aanleiding gevende factoren behoort hier uiteraard ook toe. Het is nooit te laat om hiermee te beginnen. Oppervakkige tumoren kunnen gaan ingroeien in de spierlaag maar niet altijd! Om deze doorgroei in de diepere lagen van de blaas te voorkomen en de kans op nieuwe blaaskanker  na een behandeling te verkleinen, is het van belang  om uw lichaam in een zo’n goed mogelijke conditie proberen te brengen. In zekere zin is dit ook een vorm van preventie.

U begrijpt dat voedings(metabole)therapieën zoals de Moerman- en Gersontherapie een zeer belangrijke onderdeel zijn van de behandeling van blaaskanker in alle stadia. Ook de Beard-Kelley-Gonzalez therapie hoort hierbij, evenals het Dr. Budwig protocol. Allemaal gebaseerd op het belang van volwaardige voeding waarin volop vitaminen, mineralen en enzymen aanwezig zijn. Dit kan indien nodig aangevuld worden met de bekende stoffen die Moerman gevonden heeft (vitaminen A, B, C, D, E,  ijzer, jodium, citroenzuur, zwavel/selenium). Het Moermandieet bevat ook karnemelk waarin de aanwezige melkzurebacteriën een duidelijk therapeutisch effect hebben op blaaskanker. Zo ook de rauwe broccoli. Aanvullend op de metabole therapieën kan er nog gebruik gemaakt worden van onderstaande preparaten en behandelingen. Overleg dit met uw behandelaar.

  • Oncovite, multivitaminepreparaat met zink. Extra inname van vitamines en zink bij spoelingen van de blaas met BCG vermindert de kans dat opnieuw blaastumoren ontstaan.
  • Zhuling. Dit Chinese kruidenmedicijn kan gebruikt worden om de blaas te spoelen. Het heeft net als BCG een profylactische werking, maar is goedkoper en makkelijker in gebruik en heeft geen bijwerkingen.
  • Essiac thee.
  • Groene thee.
  • Hoge dosis vitamine C. 
  • Saw Palmetto (Serenoa repens/Sabal serrulata) wordt vooral aanbevolen bij aandoeningen van de prostaat, maar kan ook ingezet worden bij blaasaandoeningen.
  • Abrikozenpitten en/of bittere amandelen bevatten amygdaline, ook wel vitamine B17 genoemd. 
  • Druiven, wijn, ellaginezuur, quercetine, resveratrol.
  • Rhodiola. De wortels van de Rhodiola rosea worden traditioneel gebruikt om de weerstand tegen lichamelijke stress te verhogen, vermoeidheid tegen te gaan en het fysieke en mentale prestatievermogen te verbeteren. De plant normaliseert de celwerking en bevordert genezing. Het kan een gunstige werking hebben bij blaaskanker en longaandoeningen.
  • Pau d’Arco ook bekend als lapacho, ipe, roxo en taheebo is een kruidenthee van de bast van een Braziliaanse-Argentijnse boom, de Tabetuia.
  • Ukrain. Afgeleid van een extract van de stinkende gouwe.
  • Hyperthermie. In de natuurlijke vorm staat hyperthermie bekend als koorts. Koorts zorgt voor een ondersteunende werking wanneer het immuunsysteem ingezet moet worden. Door de koorts verwijden onze bloedvaten zich zodat er meer bloed door de bloedvaten kan stromen en de nodige afweercellen en andere benodigde stoffen op de plaats kunnen komen waar ze nodig zijn. Kankercellen blijken minder goed tegen hogere temperaturen te kunnen. Tevens wordt de gevoeligheid van de kankercellen voor de reguliere behandeling verhoogd. Bij de behandeling van kanker wordt lokale hyperthermie ingezet, maar ook de Issels koorts therapie met Coley’s toxinen.
  • Coley’s toxinen. Dr. William Coley (1826-1936) ontdekte dat die patiënten die herstelden van kanker, een ernstige koorts hadden doorstaan, zoals b.v. bij erysipelas. Coley kreeg via een goede vriend bacteriën van de bekende bacterioloog Robert Koch en diende die toe bij een patiënt met een zeer goed resultaat. Het gebruik van levende bacteriën brengt uiteraard gevaren met zich mee. Coley verving de levende bacteriën door gifstoffen van de bacteriën. Deze behandeling (hyperthermie) met Coley’s toxines wordt ook wel de Issels koorts therapie genoemd.
  • Burzinsky antineoplaston therapie. De beste resultaten lijken behaald te worden met tumoren die niet reageren op chemotherapie, radiotherapie en immunotherapie. De antineoplaston therapie is hier ook mee te combineren.
  • Revici-therapy. Ontwikkeld door de Roemeense dr. Emanuel Revici. Het bestaat uit vetten, vetachtige verbindingen en het individueel voorschrijven van essentiële elementen om de verstoorde balans in het lichaam te herstellen. Revici gaat ervan uit dat de gezondheid van het lichaam afhangt van de positie die het inneemt tussen de opbouwende (zoals celgroei) en afbrekende processen (zoals spijsvertering). In de therapie wordt gebruik gemaakt van toediening van aan vet gekoppeld stoffen als selenium, calcium, koper, zink, ijzer, magnesium, zwavel en zuurstof. Dit verbetert de opname zodat een hogere concentratie bij de tumor terecht kan komen.
  • Burtons immuno-augmentative therapie (IAT).
  • Iscador. Blaaskanker reageert vaak goed op Iscador, de heilige plant van de Druïden.
  • Thymusextracten.
  • Dimethyl sulfoxide (DMSO) therapie.
  • Factor AF2 bestaat uit peptiden die van de lever en de milt afkomstig zijn en die samen ondersteunend zijn bij de aanmaak van cellen die behoren tot het immuunsysteem.
  • Kabol. Uit onderzoek blijkt dat kang' aiboa oral = kabol de overlevingskansen van kankerpatiënten significant verbetert.
  • Maltosetetrapalmitaat als lokaal medicament na resectie van oppervlakkige blaastumoren blijkt de recidiefkans ongeveer evenveel te verlagen als BCG.
  • Lactobaciilus casei samen met epirubicine kan de terugkeer van blaaskanker voorkomen na transurethrale resectie van blaaskanker.

Als u een complementaire behandeling overweegt, raden wij u aan een arts voor niet-toxische tumortherapie te consulteren. De lijst met namen, adressen en telefoonnummers vindt u via deze pagina.  

 

J Clin Oncol. 2010 Nov 20;28(33):4912-8. Epub 2010 Oct 18

Lamm DL, J Urol 1994 Jan;151(1):21-6

Cancer Epidemiol Biomarkers Prev. 2008 Apr;17(4):938-44

Ernst E, BMC Cancer, 2005, 5:69

Wang HZ 1997 Zhongguo Zhong Xi Yi Jie He Za Zhi 17 : 730-2

Ibrahiem EH et al ; J Urol 140 : 498-500 ; 1988

Naito S, The Journal of Urology. February 2008 Vol. 179, 485-490

Health Council of the Netherlands. Arsenic and inorganic arsenic compounds 11 dec. 2012

Zhao YY 2013 J Ethnopharmacol. Jun 26. pii: S0378-8741(13)00451-0