Onderzoek vleestaks en groentesubsidie

Onderzoekers van het RIVM rekenden aan de effecten van duurder vlees en goedkopere groenten en fruit. Conclusie: het resultaat in euro’s voor de Nederlandse samenleving is positief. Een andere studie zette de gezondheidseffecten van vleesminderen op een rij.

Minder vlees en meer plantaardig eten is goed voor het milieu en voor de volksgezondheid. Daar zijn de meesten het wel over eens. In hoeverre extra belastingen en subsidies helpen de consumptie te sturen en welke gevolgen dat dan weer heeft voor de gezondheid van mens en milieu is een stuk ingewikkelder. Zeven wetenschappers van het Centrum Voeding, Preventie en Zorg – onderdeel van het RIVM (Rijksinstituut voor Infectieziekten en Milieu – sloegen aan het rekenen en publiceerden hun bevindingen recentelijk in BMC Public Health.

Welzijn in euro’s

In het gratis toegankelijke artikel doen ze uit de doeken met welke aannames, methoden en modellen ze tot hun uitkomsten zijn gekomen. Ze rekenden drie mogelijke scenario’s door: een belastingverhoging van vijftien procent op vlees, een van dertig procent en een subsidie van tien procent op groenten en fruit. Wat levert van 2018 tot 2048 in euro’s op?

Het scenario met de grootste prijsverhoging op vlees komt over deze dertig jaar uit op een netto positief effect van 4,1 tot 12,3 miljard euro. De subsidie op groenten en fruit levert de samenleving in diezelfde periode tussen de 1,8 en 3,3 miljard euro op.

Deze getallen zijn de uitkomst van de kosten – 51 miljard belasting en subsidies – en de baten in gekapitaliseerde gezondheids- en milieuwinst. Gezondheidswinst in termen van lagere zorgkosten en hogere arbeidsproductiviteit door een toename van het aantal gezonde levensjaren. De milieuwinst van een meer duurzame landbouw en visserij komt uit de gekapitaliseerde besparingen op broeikasgassen, verzuring en overbemesting.

Prijsgevoeligheid, gezondheidswinst en andere onzekerheden

Dit type onderzoek is net zoveel waard als de aannames achter de gebruikte modellen en de cijfers waarmee deze modellen gevoerd worden. Hoe gevoelig (prijsflexibiliteit) zijn consumenten werkelijk voor prijsveranderingen van bepaalde producten? Welke gezondheidswinsten vloeien werkelijk voort uit een daling van de vleesconsumptie van gemiddeld 98,2 gram naar 90,3 gram per dag? En wat levert de berekende extra consumptie van groenten en fruit (van 250 naar 261 gram) op aan betere gezondheid? En hoe realistisch is dit in euro’s uit te drukken?

De auteurs stellen zelf ook een en ander ter discussie. Bijvoorbeeld het feit dat ze geen onderscheid maken tussen rood en het gezonder geachte gevogelte. Ze wijzen op andere onderzoeken die een groot verschil maken tussen rood vlees en bewerkt vlees. En op onderzoeken die meer onderscheiden naar de uitstoot van broeikasgassen per productgroep. De productie van een kilo kip belast het milieu minder dan die van een kilo rundvlees. En dat geldt ook tussen verschillende soorten groenten en fruit.

Als beperking noemen de auteurs dat hun model niet in staat is de ‘kruiselasticiteit’ tussen verschillende productengroepen mee te nemen. Met andere woorden: welke vervanging zoeken mensen voor vlees? Als dat chips is, mag je andere effecten op de gezondheid verwachten dan bij walnoten. Zelf noemen ze trouwens kaas als ongezond en niet duurzaam voorbeeld. Of prijsmaatregelen er voor zorgen dat er vegetariërs en veganisten bijkomen, voorspelt het model ook niet. Een belangrijke vraag die buiten beschouwing bleef is of een lagere binnenlandse vleesconsumptie, wellicht leidt tot een grotere export van vlees. En wat de effecten zijn als Nederlanders over de grens gaan inkopen.

Het zal niet verbazen dat de auteurs pleiten voor meer onderzoek om de voorspellende waarde van hun modellen te verbeteren.

Betere gezondheid en langer leven door minder vlees?

Bovenstaande modelstudies zijn vooral interessant voor politici en beleidsmakers. Medische onderzoekers en geïnteresseerde leken willen vooral weten hoe een vegetarische of veganistische voedingswijze aan een betere gezondheid bij kan dragen. In dat verband is veel onderzoek gedaan naar het aminozuur methionine.

Methionine is een essentieel aminozuur. Het lichaam kan het niet zelf maken en het moet dus uit de voeding komen. Kaas, kip, vis, rood vlees en eieren bevatten veel methionine. Het lichaam heeft er echter maar weinig van nodig. Naar schatting 19 milligram per kilo lichaamsgewicht. Voor een volwassene van 65 kilo is dat 1,24 gram. Een hoeveelheid die we met gemak uit plantaardige bronnen halen.

Te veel methionine kan het homocysteïnepeil verhogen, wat een risicofactor is voor aderverkalking en trombose. Terwijl dieronderzoek allerlei aanwijzingen geeft dat een halvering van de dagelijks aanbevolen hoeveelheid juist levensverlengend kan werken. Deze recente review, waarvan alleen de samenvatting gratis toegankelijk is zette het bewijs op rij.

In verschillende diersoorten blijkt methioninerestrictie het leven te verlengen en de incidentie van leeftijdgerelateerde ziektes en kanker te verminderen. Leververvetting en leverontsteking nam af, ververbranding in de lever nam toe. Ook de insulinegevoeligheid verbetert en in de hersenen bleek restrictie aftakelingsprocessen tegen te gaan en de weerstand tegen oxidatieve stress te verbeteren.

Voeding hoog in methionine gram per ons (100 gram)

  • Sesamzaad 1,65
  • Paranoten 1,12
  • Kaas 1,11
  • Hennepzaad 0,93
  • Kip 0,81
  • Vis (tonijn) 0,75
  • Bacon 0,59
  • Chiazaad 0,59
  • Rund/varken 0,56
  • Tarwekiemen 0,46
  • Ei 0,39
  • Haver 0,31
  • Pinda’s 0,31
  • Kikkererwten 0,25
  • Mais 0,2
  • Amandelen
  • Peulvruchten/bonen gekookt 0,12
  • Linzen gekookt 0,08
  • Zilvervliesrijst gekookt 0,05

Beeld: Hans Speekenbrink

0
<< Terug