Onderzoek naar zinloze behandeling van DCIS

Elk jaar ondergaan naar schatting driekwart van de 2.500 vrouwen met ductaal carcinoom in situ (DCIS) onnodig een borstbesparende operatie, vaak gevolgd door bestraling of amputatie. Omdat deze ‘onrustige cellen’ kunnen uitgroeien tot kanker. Doctor Lindy Visser zocht naar voorspellers van een ongunstig beloop en ontdekte twee verdachte eigenschappen.

Lindy Visser promoveerde onlangs aan de universiteit Leiden op haar onderzoek aan het Nederlands Kanker Instituut (NKI) naar eigenschappen die bepalen welke kant DCIS kiest. Ze vergeleek DCIS-weefsel van vrouwen die later borstkanker ontwikkelden met dat van vrouwen bij wie dat niet gebeurde.

Ze vond hoge hoeveelheden van twee eiwitten in de weefsels van vrouwen die later borstkanker kregen. Het gaat om HER2 en COX2, waarvan bekend is dat ze rol spelen bij de tumorgroei. Vrouwen met lagere hoeveelheden van deze eiwitten in het DCIS-weefsel hadden een lager risico. ‘Voor vrouwen met een lage hoeveelheid van het COX2-eiwit, was het borstkankerrisico zelfs vergelijkbaar met dat van vrouwen zonder DCIS’, zegt Visser op de site van het LUMC.

Nog geen praktische toepassing

Volgens Visser geven deze aanwijzingen nog niet voldoende basis om gevaarlijke en ongevaarlijke DCIS van elkaar te onderscheiden. ‘Voorheen waren er nog helemaal geen voorspellers, dus onze bevindingen zijn een grote stap in goede richting.’ Voorkomen dat vrouwen onnodig een zware behandeling ondergaan ‘is wel het doel voor de nabije toekomt’.

Overbehandeling

Promotor van Lindy Visser is Jelle Wesseling. Zijn oratie vorig jaar, bij de aanstelling vorig jaar tot bijzonder hoogleraar Pathofysiologie, in het bijzonder de pathologie van borstkanker, droeg de titel: ‘Borstkanker meer is minder’. Daarin zegt hij onder meer: ‘Mijn drijfveer is vooral het goede te willen doen, niet het onnodige.’

Wesseling stelt dat DCIS slechts bij een kwart van de vrouwen uitgroeit tot borstkanker. Op het door Visser genoemde aantal van 2.500 komt dat dus neer op 1.875 onnodige behandelingen. Voor chemotherapie ‘komt het vaak voor’ dat slechts vijf tot tien procent van de vrouwen er baat bij heeft. ‘En iedereen weet dat chemotherapie geen paracetamolletje is.’

‘Meer met minder’ betekent voor Wesseling ook naar de ongewenste kanten van bevolkingsonderzoek durven kijken. ‘Diagnostiek kan niet los gezien worden van de kwaliteit van leven. Hoeveel mensen je moet behandelen om het slechts bij één effect te laten hebben? Waar durven we behandeling weg te laten omdat de winst te minimaal of misschien zelfs afwezig is of – allesbehalve ondenkbaar – vooral schade doet?’

Beeld: Donald Trung Quoc Dong / Creative Commons License CC SA SA4.0

4+
<< Terug