Jaarlijks ontvangen circa 700.000 vrouwen een uitnodiging zich op baarmoederhalskanker te laten screenen. Ruim de helft van hen geeft daar gehoor aan. Dat levert tussen de acht- en negenduizend uitstrijkjes met ‘onrustige cellen’ op en naar schatting enige duizenden die na aanvullend onderzoek een ingreep ondergaan. Amerikaans onderzoek toont dat daar in veel gevallen geen haast bij is.
De onderzoekers van het Nationale Kankerinstituut in Rockville (Maryland, VS) keken naar het verschil tussen vroeg of laat behandelen van vrouwen bij wie Cervicale Intra-epitheliale Neoplasie, stadium 2 (CIN2) was aangetroffen. Het probleem met dit celtype is dat het een voorstadium van baarmoederhalskanker kan zijn, maar ze kunnen ook vanzelf verdwijnen.
Om meer zicht te krijgen op mogelijke overbehandeling simuleerden de onderzoekers een gerandomiseerde klinische studie. Daartoe verdeelden ze twaalfduizend vrouwen bij wie tussen 2017 en 2023 door middel van een biopsie CIN2 was vastgesteld in twee gelijkwaardige groepen. Het enige verschil was dat de ene groep ‘meteen’ (binnen zes maanden) behandeld was en de andere groep na zes maanden of helemaal niet.
Na een opvolgduur van drie jaar bleek dat bij de vrouwen die onmiddellijk behandeld waren veel vaker geen CIN2 of erger gevonden werd (36,2 procent) dan bij de vrouwen bij wie de behandeling was uitgesteld (7,8 procent). ‘Dit suggereert dat sommige procedures waarschijnlijk onnodig waren en het risico op een vroeggeboorte kunnen verhogen’, schrijven de onderzoekers in Annals of Internal Medicine.
Tegenover dat nadeel stond geen voordeel in de zin van een lager risico op CIN3 of baarmoederhalskanker. Na drie jaar was bij 8,85 procent van de onmiddellijk behandelde vrouwen CIN3 vastgesteld, tegen 10,31 procent van de vertraagd behandelde en onbehandelde vrouwen. Het kankerrisico was gelijk: 0,39 procent van de onmiddellijk behandelde vrouwen ontwikkelde alsnog kanker, tegen 0,43 procent van de vertraagd of niet behandelde vrouwen.
‘Het uitstellen van de behandeling voor tenminste zes maanden voorkwam enige potentieel onnodige excisies van baarmoederweefsel’, schrijven de onderzoekers, ‘maar voortgaande monitoring is vereist.’ Een beperking van de studie is dat de vrouwen daadwerkelijk zijn gerandomiseerd voor een van de twee behandelingen.
De Nederlandse situatie
De Nederlandse behandelrichtlijn CIN, AIS en VAIN schrijft voor om CIN2 in principe niet te behandelen en alleen als er geen kinderwens meer is. De behandeling bestaat meestal uit een LLETZ (Large Loop excisie van de transformatiezone), een ingreep waarbij een dun laagje van de baarmoederhals verwijderd wordt. Dat kan complicaties tijdens de zwangerschap geven.
Het Zorginstituut stelde in 2019 vast dat er ongewenste verschillen waren in de behandeling. ‘Te veel vrouwen met CIN1 en jonge vrouwen met CIN2 worden behandeld en te weinig vrouwen met CIN3.’ Ook in het vervolgtraject zag het Zorginstituut tekortkomingen. ‘Vrouwen met CIN krijgen soms helemaal geen controle, andere vrouwen krijgen één keer per jaar een controle en sommige vrouwen twee keer per jaar.’
Beeld: Pxhere.com
MMV maakt wekelijks een selectie uit het nieuws over voeding en leefstijl in relatie tot kanker en andere medische condities.
Inschrijven nieuwsbrief
