Extra biefstuk levert geen extra spieren op

De meeste sportinstructeurs twijfelen geen moment: voor een optimale spieropbouw dien je extra eiwitten te eten. Aan de universiteit van Illinois stelden ze deze volkswijsheid op de proef en vonden er geen bevestiging voor. Wat zich met extra biefstuk wel opbouwde, waren ongewenste darmbacteriën.

Men neme vijftig ongetrainde mannen en vrouwen van middelbare leeftijd en verdeelt deze in twee gelijke groepen. Allebei de groepen doorlopen een trainingsprogramma van tien weken, waarin ze drie maal per week het krachthonk induiken. Waar ze onder universitaire begeleiding na een zorgvuldige warming up afwisselend alle grote spiergroepen aan het werk zetten.

Beide groepen krijgen na afloop van de training gehakte magere biefstuk opgediend. Maar het tartaartje van de ‘modale’ eiwitgroep is de helft kleiner. Met behulp van proteïnedrankjes, dieetadvies en regelmatige controle zorgen de diëtisten dat een van de groepen het dubbele binnen krijgt van de dagelijks aanbevolen hoeveelheid proteïnen, bij een gelijke hoeveelheid calorieën.

Na afloop van de klinische trial zijn alle deelnemers duidelijk aangesterkt. Ze drukken en trekken meer kilo’s met armen en benen en kunnen dat meer keer achter elkaar dan bij aanvang van de studie. Ook de omvang van hun spiermassa is toegenomen. Conclusie: krachttraining resulteert in meer spierkracht en –massa, extra proteïnen niet.

Wederzijdse impact

Diëtisten, voedings- en bewegingswetenschappers en microbiologen van de Universiteit van Illinois, VS, werkten samen in wat ze zelf ‘een van de meest omvattende onderzoeken’ noemen ‘naar de gezondheidseffecten van dieet en krachttrainingen in volwassen van middelbare leeftijd’. In de regel kijken onderzoekers ofwel naar het effect van training, ofwel naar het effect van voeding op de spieren.

Diëtist Colleen McKenna, een van de onderzoeksleiders, wijs op het feit dat we voedingsrichtlijnen hebben en beweegnormen. ‘Maar heel weinig onderzoek dat kijkt naar hoe die twee samen onze gezondheid beïnvloeden.’ Die leemte hoop McKenna met dit onderzoek voor een deel te vullen. ‘Met dit uitgebreide onderzoek doen we recht aan de complexiteit van de menselijke gezondheid.’

Darmbacteriën

Dieet noch training bleek effect te hebben op de glucosetolerantie, insulinegevoeligheid, bloedvetten, bloeddruk, nierfunctie en botdichtheid. De afname van lichaamsvet en de toename van de spiermassa had in beide groepen per saldo een gewichtstoename tot gevolg. Bepaalde potentieel negatieve effecten van hoog-eiwitdiëten, onder meer op de glucosehuishouding, die uit ander onderzoek bekend zijn, bleven in deze studie achterwege.

Ook op microbiologisch vlak werd iets opmerkelijks gevonden. Na een week wennen aan het dieet – en nog voor de training begon – bleken in de hoog-eiwitgroep enkele voor de gezondheid als positief bekend staande buikbacteriën in aantal te zijn afgenomen. In de loop van het trainingsprogramma namen deze weer toe. Een toename van deze soorten werd ook in de andere onderzoeksgroep waargenomen. In allebei de groepen ging tien weken krachttraining gepaard met een afname van een bacterie – Erysopelotrichacaae – met een slechte naam. Ander onderzoek brengt deze stam in verband obesitas, metaboolsyndroom en darmkanker.

Hoeveel eiwit is nodig?

Het Amerikaans-Canadese onderzoek had plaats af tegen de achtergrond van een discussie die ook in Nederland speelt. Namelijk de vraag of de dagelijks aanbevolen hoeveelheid eiwitten vanaf de middelbare leeftijd omhoog zou moeten met het oog op spierbehoud. Verlies van spiermassa – sarcopenie – gaat langzaam maar zeker en begint vaak pas op latere leeftijd op te vallen.

Verminderde spierkracht beperkt de mogelijkheid om fysiek actief te zijn, met alle metabole en immunologische voordelen van dien. Spierzwakte verhoogt ook de kans op vallen en botbreuken; een serieus probleem onder ouderen.

Nederland hanteert voor de dagelijks aanbevolen inname van eiwitten dezelfde norm als de VS: 0,8 gram per kilo lichaamsgewicht. De onderzoekers in Illinois waren aanvankelijk van plan die 0,8 te vergelijken met de dubbele hoeveelheid maar dat lukte niet. Uit de eetdagboeken en de tweewekelijkse interviews bleek de gemiddelde inname in de laagste groep rond 1,1 gram te liggen. Wat erop duidt dat we, in tegenstelling tot de consumptie van groene bladgroenten, niet hoeven te vrezen voor een te lage inname van eiwitten.

Op grond van deze bevindingen zet mede-onderzoeksleider Nicolas Burd vraagtekens bij het nut van een hogere inname. Iets meer of minder dan een gram per kilo lichaamsgewicht is voldoende. ‘Tenminste wel in gewichtheffers van middelbare leeftijd die regelmatig dierlijke eiwitten van hoge kwaliteit consumeren.’

Het onderzoeksartikel verscheen vorige week in American Journal of Physiology en is als pdf vrij beschikbaar.

Onderzoeksleiders Colleen McKenna en Nicholas Burd. Foto: L. Brian Stauffer.
0

MMV selecteert wekelijks het nieuws over voeding, kanker en gezondheid. Schrijf je hier in voor onze gratis nieuwsbrief.

<< Terug